Meditatie mei
Pinksteren Mattheüs 13: 13. ”Dit is de reden waarom ik in gelijkenissen tot hen spreek: omdat zij ziende blind en horende doof zijn en niets begrijpen.”
Met belangstelling volg ik de spectaculaire ontwikkeling die het hersenonderzoek de laatste jaren doormaakt. De werking van ons brein is en blijft voorlopig nog wel vol raadsels: miljarden cellen die op wonderlijke wijze samenwerken. Maar wetenschappers weten steeds beter te lokaliseren waar in de hersenen b.v. reuk, zien, horen is ondergebracht. Ze kunnen waarnemen wat er gebeurt als een zintuig wordt geprikkeld.
Zo hoopt men in de nabije toekomst ziekten als alzheimer, depressie, adhd in kaart te brengen en vervolgens ook te kunnen genezen. Nu nog toekomstmuziek, maar dichterbij dan we misschien denken.
Die hersenen maken anders wel een potje van de werkelijkheid die hen gepresenteerd wordt. Het brein blijkt zomaar uit zichzelf waarnemingen aan te vullen of juist weg te laten om het verhaal maar te laten kloppen. We kunnen warempel onze hersenen haast beter de ‘bedriegertjes’ gaan noemen.
De uitspraak “Ik geloof het pas, als ik het zie” (Thomas) komt zo in een heel ander daglicht te staan. Wat kan een mens eigenlijk nog wel geloven? Wat is nog waar als ik continue gefopt word door mijn eigen brein?
Ook blijken de hersenen in de kinderjaren nog sterk te veranderen. Als we geboren worden zijn er nog bepaalde ‘verbindingen’ tussen de hersenhelften die later verdwijnen. Soms gaat dat ‘mis’ en blijft zo’n ‘verbinding’ ook op latere leeftijd bestaan. Zo is er iemand bekend, die overal kleuren in en rond ziet. I.p.v. van een grijze zee ziet zij een golvende kleurenpracht. Zo mooi dat ze het niet zou willen missen. Onderzoek leerde dat bij haar nog zo’n ‘verbinding’ in stand was gebleven.
Maar, omgekeerd, heeft men ook ontdekt dat meditatie bepaalde hersendelen (op)nieuw met elkaar kan ‘verbinden’. Je zou dan de vraag kunnen stellen of die ‘verbindingen’ uit onze jeugd zomaar verdwijnen of worden verbroken omdat ze niet meer gebruikt worden door bv een manier van opvoeden. Als een kind al jong niet leert te bidden/mediteren verdwijnt ook de ‘verbinding’. Gelukkig blijkt die later hersteld te kunnen worden… .
Iedereen die wel eens een contemplatieve (altijd biddende) kloosterling ontmoet heeft, zal ervaren hebben hoe anders die persoon is. Hij of zij straalt iets uit: vrede en verbondenheid. Wij hebben het dan over een ‘geestelijke’ maar nu met de nieuwe kennis over het brein, kunnen we net zo goed over een ‘lichamelijk verbondene’ spreken.
Bidden/mediteren is dus veel meer dan “handen vouwen en ogen dicht”. Veel meer dan woorden. Het is het tot stand brengen van een geestelijke en lichamelijke ‘verbinding’. Figuurlijk en letterlijk. ‘Verbinding’ in ons lichaam en in onze geest, waardoor onze hersenen en ons lichaam anders gaan waarnemen en reageren. Dan pas kan de ‘Verbinding’ tot stand komen. En wel met een Waarheid die niet bedriegt of fopt. Op een niveau waar geen aanvullingen of weglatingen nodig zijn, maar waar alles helder en Licht is. Dat mogen geloven, ja ervaren… !
Bovenaan staat een citaat van Jezus uit Mattheüs: “ziende blind en horende doof”.
Dat kunnen we nu ook anders lezen: Niet alleen figuurlijk, maar ook letterlijk. ‘Normaal’ worden we door onze hersenen bedrogen: we denken te zien en te horen, maar we zijn blind en doof. Maar als de ‘verbinding’ gemaakt is door gebed/meditatie komen we in verbinding met de Waarheid, die wij Vader mogen noemen. Niet voor niets trok ook Jezus zich regelmatig terug om te bidden. Ook Hij moest de ‘verbinding’ in stand houden.
Pinksteren: het feest van de Geest.
In Romeinen 8 schrijft de apostel Paulus:
”En evenzo komt de Geest onze zwakheid te hulp; want wij weten niet wat wij bidden zullen naar behoren, maar de Geest zelf pleit voor ons met onuitsprekelijke verzuchtingen”
De Geest is de ‘Verbinder’ die ons bij God en bij elkaar en bij onszelf brengt als mens. Zoals Jezus mens was. De Geest, die ons leidt naar een dimensie waar alle verschillen in culturen, taal, ras… verdwijnen. Die allen met elkaar verbindt net zoals eens gebeurde op het Pinksterfeest, toen ieder één van taal was. De taal van de Geest. Een diepe Verbondenheid.
Een wat bizar beeld komt bij mij boven:
Vroeger als je belijdenis wilde doen, moest je eerst voor de kerkenraad verschijnen om getoetst te worden op je kennis van de catechismus. Een examen. Dat is (gelukkig) verleden tijd.
Maar het zal nu toch niet gaan gebeuren dat een vooruitstrevende kerkenraad gaat eisen dat er voor de belijdenis eerst een hersenscan gemaakt wordt. Pas dan als vaststaat dat de ‘verbinding’ in de hersenen bij de catechisant tot stand is gekomen wordt groen licht gegeven… .We hopen dat ook dit jaar weer een aantal mensen belijdenis zullen doen… zonder examen of scan, maar wel in verbondenheid.
ds. Leo Krispijn
Licht in ons midden (Meditatie maart-april)
Mag ik u uitnodigen om even aan te schuiven bij de Taakgroep Eredienst? Er zijn een paar stoelen vrij dus ga gerust zitten. Het onderwerp van bespreking is “de Paaskaars”. Nog even en dan is het weer Pasen en zoals gewoonlijk komt er dan een nieuwe paaskaars.
Welke kaars zullen we dit keer kiezen? Wordt het de kaars met ‘de levensboom die aan waterstromen is geplant’ of de kaars met ‘de wijnranken’? Met een meerderheid van stemmen wordt gekozen voor de frisgroene levensboom. De boom valt goed op en is mooi qua symboliek. Op de bestellijst in de hal van de kerk op de Dam en in De Hoeksteen kunt u aangeven of u zelf een huiskaars wilt, voor eigen gebruik thuis.
Bij de Taakgroep wordt met een zekere regelmaat over kaarsen gesproken, want in de erediensten worden de nodige kaarsen gebruikt: adventskaarsen, doopkaarsen, gedachteniskaarsen, kaarsjes voor in de paaswake, lichtjes voor in de avondgebeden en de paaskaars. Wie de nodige jaren in de kerk achter zich heeft liggen weet dat al die kaarsen nog niet zo’n lange geschiedenis in de Protestantse kerk hebben. Misschien dat er tijdens mijn jeugd adventkaarsen in de erediensten werden aangestoken, maar beslist niet meer. Bij ons thuis werden in die tijd wel regelmatig kaarsen aangestoken en dan niet zo zeer voor de gezelligheid. Op zaterdagavond bij de maaltijd, vlak voor de zondag, werden twee kaarsen aangestoken. Mijn ouders kenden dit gebruik van de Joden, die op vrijdagavond de sabbat (op zaterdag) verwelkomen met het licht van kaarsen. Met de sabbatlamp werd in de Joodse traditie de sabbat begroet.
In de christelijke traditie is in navolging van dit joodse gebruik het zogenaamde ‘lucernarium’ ontstaan, waarbij aan het begin van de vespers het licht werd binnengedragen en gezegend. Uit deze traditie is nog specifieker de lichtritus aan het begin van de Paasnacht geboren.
Werd in veel protestantse kerken voorheen alleen de Goede Vrijdag gevierd in de Stille Week voor Pasen, gaandeweg kwamen daar ook de Witte Donderdag en de Stille Zaterdag bij met als hoogtepunt de Paasnacht. In de Paasnacht wordt de nieuwe paaskaars door een diaken binnengebracht. Zo kunnen wij als protestanten, net als de joodse vrouw op de avond van de sabbat, in de Paasnacht God loven om het licht dat Hij heeft geschapen en de vuurkolom waarin Hij voor zijn volk is uitgetrokken. In het blad Eredienstvaardig schrijft Idelette Otten “Omdat we in deze nacht de opstanding vieren is de paaskaars het symbool geworden van de opgestane Heer. Het licht wordt meegedeeld aan de kaarsen van de aanwezige kerkgangers om de triomf van het licht over de duisternis uit te beelden. Tegelijk herinnert het aan de opdracht van iedere gelovige: licht in de Heer te zijn. In deze nacht waarin de doop – vanouds verlichting genoemd – wordt bediend of herdacht, worden de woorden van Paulus actueel: Want ooit waart ge duisternis, maar nu zijt ge licht, in eenheid met de Heer; wandelt als kinderen van het licht. Efeziers 5,8.”
Over de waarde van de paaskaars in de eredienst zijn vele kerkgangers het onderhand wel eens, het vuur van discussie laait echter nog wel eens op wanneer het gaat over de duur dat de paaskaars brandt. In veel protestantse kerken blijft de paaskaars branden tot aan Goede vrijdag. Het idee hierachter is dat Christus niet alleen in de paastijd als levende Heer in ons midden te ervaren is, maar elke zondag. Je kunt je echter afvragen, stelt Idelette Otten, of je de paaskaars wel zo lang zou moeten laten branden. De vreugdevolle tijd van Pasen tot Pinksteren krijgt volgens haar zo minder nadruk. Na Pinksteren zou zij de paaskaars niet meer willen laten branden tijdens de erediensten, zoals oud-katholieken gewoon zijn, alleen nog bij doopdiensten, huwelijksdiensten, uitvaartdiensten en eventueel nog andere bijzondere diensten van een gemeente, bijvoorbeeld bij bevestiging van ambtsdragers. Zo kan met nadruk het vreugdefeest van vijftig dagen (Pasen, Hemelvaart en Pinksteren als een samenhangend geheel) gevierd worden. Volgens Otten komt de paastijd er nl. bekaaid af in de protestantse kerken als je kijkt naar de aandacht die wordt besteed aan de veertigdagentijd en Pasen. In de paastijd is het aan ons om in navolging van Christus lichtdragers te zijn.
Het is niet zo dat ik Idelette Otten haar advies gelijk zou willen opvolgen. Wel vind ik het goed dat ze ons tot nadenken aanzet, over hoe wij gestalte geven aan de vreugde van de Paastijd en het feit dat wij zelf door Gods Geest lichtdragers zijn. Ik hoop van harte dat de verschillende taakgroepen dit gesprek met elkaar voeren, naast alle praktische zaken die geregeld moeten worden. En dat dit gesprek aanstekelijk mag werken buiten de taakgroepen en buiten de kerkmuren, zoals ook mooi verwoord wordt in deze Lof van het Licht :
Laat dit licht onverminderd schijnen, morgen en alle dagen
in alles wat wij doen,
in heel ons leven.
Laat het zijn als de verrezen Christus,
de morgenster, die, eens verrezen,
nu nimmermeer zal ondergaan.
Ds. Tabitha Keuning